Sociale identiteitstheorie

 

Sociale identiteit is het bewustzijn van het individu te behoren bij een bepaalde sociale groep.

Om de perceptie en interactie van het individu te kunnen begrijpen, naast de psychologie, is het van belang om te weten hoe sociale interactie tot stand komt door sociale identiteiten van die individuen tot stand komt. Er zijn 4 benaderingen:

  • Mayo – HR benadering = groepen veranderen het individu
  • Sociale identiteitsbenadering = product groepsleven en psychologische & sociale realiteit
  • Taylor – economische benadering = enkel negatief effect van werken in groepen
  • Denken in termen van ‘wij’ ipv ‘ik’ is samenwerkingsbevorderend

Grondlegger van de Sociale Identiteitstheorie is Tajfel. Tajfel toonde aan dat er meer dan een passieve context voor individuele gedragen zijn, dit geeft aan dat psychologie van de individu een product is van groepsleven met een aparte psychologie & sociale realiteit.

Sociale factoren zijn gebeurtenissen in de wereld om ons heen.

Psychologische factoren zijn interpretaties van die gebeurtenissen.

Sociale Identiteitstheorie en de basis van verschillen tussen groepen

Brown (1978) – liet de werknemers de salarisstijging van de collega bepalen.

Conclusie; wanneer individuen zichzelf indelen in groepen, leidt dit tot ingroup favoritism en een intergroup conflict. Deelnemers zijn geneigd zichzelf gelijk te stellen aan de leden van de ingroup, hierdoor ontstaat scheiding & discriminatie.

Kortom, groepen zijn onder invloed van sociale perceptie en cognitie. Dit leidt tot positive distinctiveness / ingroup favoritism.

Positive distinctiveness = na te behoren bij een bepaalde groep en te zijn gedefinieerd, wil men zo hoog mogelijk positief zelfvertrouwen kweken om daarmee hoge status te bereiken.

Tafjel en Turner ontwikkelden 3 variabelen die bijdragen tot ingroup favoritism;

  • De mate waarin men zich identificeert met de groep en de lidmaatschap zien als zelf-concept
  • De mate waarin de context leidt tot vergelijkingen tussen groepen
  • De belangrijkheid van de outgroup, door relatieve en absolute status van de ingroup

Outgroup favoritism = ontstaat wanneer als de macht van de outgroup niet in strijd is of niet belangrijk is ten opzichte van de ingroup.

Intergroup perspectief = ingroupleden zien outgroupleden als een homogene groep.  Hoe hoger de aanwezigheid van groeplidmaatschap is, hoe meer homogeen de groep wordt gezien.

De invloed van groepsgedrag

Groepsgedrag wordt bepaald door twee factoren:

  • Sociale structuur
  • In hoeverre men interpersonal (karakter en motivatie van individu bepalen het gedrag van het individu) of intergroup (het gedrag van het individu wordt bepaald door lidmaatschap van de groep waartoe het individu behoort) gedrag vertoont.

Onderdelen van de sociale structuur zijn:

Social mobility – individu beweegt vrij tussen groepen om sociale positie te versterken of behouden

Social change – niet mogelijk te ontsnappen uit de groep waartoe men behoort

Individual mobility – social mobility, zelf beter worden

Social creativity – social change; de beste worden als groep op een geoorloofde wijze

Social competition – social change; de beste worden door competitieverband met outgroup

Om het gedrag beter te voorspellen, maken we gebruik van de sociale status of statusgroepen. Er zijn 2 soorten statusgroepen:

 - Hoge status organisaties = veel ingroup favoritism in status relevante gebieden. Kenmerkend zijn gezag en geen veranderingen.

 - Lage status organisaties = veel outgroup favoritism in statusirrelevante gebieden. Kenmerkend zijn harmonie en veranderen.

Sociale status en lage statusgroepen;

  • groepsgrenzen doorlaatbaar -> individual mobility om te streven naar hogere status
  • groepsgrenzen ondoorlaatbaar, groepsstatus legitiem en stabiel -> social creativity
  • groepsgrenzen ondoorlaatbaar, groepsstatus niet legitiem en stabiel -> social competition

Sociale status en hoge statusgroepen;

  • groepsgrenzen doorlaatbaar -> handhaven van positie in hoge statusgroep
  • groepsgrenzen ondoorlaatbaar, groepsstatus legitiem en stabiel -> social creativity
  • groepsgrenzen ondoorlaatbaar, groepsstatus niet legitiem en stabiel -> social competition & social creativity

Kortom, de Sociale Identiteitstheorie heeft veel invloed  in allerlei gebieden door middel van de drie factoren;

  • Kernaspecten helpen om belangrijke aspecten van sociaal gedrag uit te leggen en te begrijpen
  • Bij toepassing SIT wordt er een nieuw alternatief bezorgd tov de bestaande theorie -> de psychologie van een groep is meer dan alleen de som van de individuen in de groep.
  • Theorie is verbonden met een betere analyse van sociaal gedrag dan concurrentie